Nationale Dodenherdenking, 4 mei 2019

Mei 1944. We bevinden ons diep onder water. Zo diep dat lichtstralen hun weg niet meer kunnen vinden. Dat alle geluiden verstommen. De ruimtes zijn klein, te klein voor 53 mannen. De lucht is bedompt, vermengd met de geuren van angst, zweet, vuil en vermoeidheid. De jacht had dagenlang geduurd, 76 uur volgens de officiële rapporten. De langste onderzeeboot achtervolging van de Tweede Wereldoorlog. In een klein kamertje staat de eerste ingenieur met spreekwoordelijk lood in de schoenen voor zijn Kapitein en onderofficieren. “De batterijen zijn leeg,” zegt hij.

“Wat betekent dat?” vraagt de Kapitein.

De stem van de ingenieur snijdt haarscherp door de spanning: “Omhoog, of omlaag.”

Voorjaar 1945. We zien een jonge vrouw op de fiets, blauwe ogen, lichtblond krullend haar. Het is een onopvallende fiets, met een rieten mand voorop. Daarin haar handtas, ook dit een onopzichtig model. Haar rok zwiert zachtjes in de warme lentebries, tot over de knieën. Met haar hart in haar keel fietst ze een soldaat tegemoet. Vlakbij hem tovert ze een schalks lachje op haar gezicht. De soldaat knikt vriendelijk, doet geen moeite haar te stoppen. Eenmaal gepasseerd overvalt afschuw haar gezicht, “Vuile mof” denkt ze.

Had de soldaat haar aangehouden, dan is haar ‘Ausweis’ in elk geval in orde. Een vervalsing weliswaar, maar deze geeft haar toch het gevoel om ook tijdens de spertijd door te mogen fietsen, vergezeld van goed weggestopte brieven. Een schrijven waarvan de inhoud voor haar onbekend is: wat ze niet weet kan ze ook niet navertellen. Haar woede tegenover het oneerlijk behandelen van haar medemens zet ze om in kilometers. Het is een van de weinige dingen die ze als vrouw kan doen. Ze trapt, door weer en wind, brengt opnieuw een verzetsbericht naar een voor haar onbekende ontvanger.

Omhoog of omlaag. De onderzeeër en haar bemanning waren de afgelopen nachten enkele keren aan de oppervlakte gekomen om de batterijen op te laden, maar het was nooit meer dan 30 minuten voordat een torpedoschip hen weer in het vizier kreeg en de jacht opnieuw werd ingezet. Eénmaal waren ze bijna ontsnapt: de dieptebommen hadden lekkage veroorzaakt: de naar de oppervlakte vloeiende olie had verbeeld dat de duikboot met inhoud en al uitgeschakeld op de bodem lag. Tot ze, tijdelijk terug aan de oppervlakte, door een vliegtuig gesignaleerd werd.

Omlaag is enkel een nat graf. Voor de laatste keer omhoog betekent overgave, maar een kans op leven. Vanaf de uitkijktoren springt de tweede officier het water in. Op deze kalme ochtend in mei 1944 is het Middellandse zeewater nog niet warm, maar wel te overleven. Als hij bovenkomt kleurt de lucht fel geel en vult deze zich met as en brokstukken. De toren waar hij zoëven nog op had gestaan bestond niet meer. Hij gelukkig nog wel. Ook al zijn kameraden dobberen ongeschonden in de nabijheid. Nu is het wachten tot ze opgevist worden. Het water doopt hen tot krijgsgevangenen.

Er volgen persoonlijke briefwisselingen. De tweede officier schrijft zijn verloofde. De koerierster schrijft haar verloofde. Het zijn uitingen die in eerste instantie niet als bijzonder overkomen. Toch staan ze hier en daar vol van symboliek, met zinnen die van te voren geformuleerd, afgesproken en geoefend waren. Het zijn privé codes: een streepje meer of minder van volle betekenis. Brieven vol liefde en toewijding, een star contrast met de gebeurtenissen die beschreven staan, en het daarin onverhuld menselijk leed.

De vrouw op de fiets? Mijn oma. De officier in het water? Zijn opa. Wij. Mijn Duitse man Alexander en ik, nakomelingen van mensen die, als je het grote plaatje bekijkt, aan tegenovergestelde kanten van het conflict stonden. 

Een oorlog polariseert, laat ons een denkfout begaan door de wereld in zwart-wit waar te nemen. De werkelijkheid blijkt echter kleurrijk geschilderd met persoonlijk verhalen van mensen die maar een kleine rol speelden. En toch zijn deze intieme ervaringen van belang: de brieven lijken nu niet meer dan stukken papier, oude verhalen op de vergeelde blaadjes, zorgvuldig opgeborgen in mapjes, verborgen in kelders, maar het zijn anekdotes die ten grondslag liggen aan onze bonte maatschappij. Een samenleving waarin we elkaar niet als nationaliteit, als religie, als seksuele geaardheid of als huidkleur zien, maar als volwaardige en waardevolle mensen. 

Op 14 mei 1945 scheef mijn Opa aan mijn Oma, “Eindelijk ben ik weer in de gelegenheid iets van mij te laten weten. Allereerst van harte geluk gewenscht met de bevrijding van ons gansche Vaderland”. En die bevrijding, die vrijheid, waarin er door de komst van Europa geen enkele oorlog op onze voordeur heeft geklopt, waarin wij de vrije keuze hebben om ons leven naar eigen ziens in te vullen, die telt.